Niet eerder dan na de Tweede Wereldoorlog en de naoorlogse periode werder er subminiatuur buizen ontwikkeld. Deze miniatuurbuizen konden gebruikt worden voor lichtgewicht, compacte hoortoestellen, waarbij de voordelen van deze elektronentechnologie toegankelijk werden voor kleine apparaatjes die in de vestzak pasten. Siemens zette deze enorme sprong voorwaarts in de hoortoesteltechnologie met de lancering van de Fortiphon en Phonophor zakhoortoestellen.

Elektrische hoortoestellen, gebaseerd op telefoontechnologie bereikten de grenzen van het mogelijke, vooral wanneer er behoefte was aan meer versterking. De hoge tonen waren heel belangrijk voor het overbrengen van spraak, maar er waren specifieke grenzen aan de mogelijkheden van de bestaande technologieën. Hogere versterking was vooral een probleem wanneer er de gangbare carbonmicrofoons werden gebruikt - stemmen klonken luider, maar klonken vervormd. De combinatie van subminiatuur buizen en kristalmicrofoons losten dit probleem op en er konden kleinere en krachtigere hoortoestellen gemaakt.

Tegen het einde van de jaren veertig van de vorige eeuw werd Siemen distributeur van Fortiphon, een zakformaat hoortoestel en gebaseerd op deze technologie. Vervolgens ontwikkelden ze de Phonophor Alpha - een toestel die er hetzelfde uitzag al de Fortiphor, maar nog krachtiger was.

Vóór de Tweede Wereldoorlog was Fortiphone verantwoordelijk voor de verkoop van Siemens hoortoestellen in het Verenigd Koninkrijk. Vanaf 1949 werden de rollen tijdelijk omgedraaid en verkocht Siemens de Fortiphone in Duitsland. De Fortiphone maakte gebruik van subminiatuur buizen en een kristalmicrofoon en kon in de vestzak gedragen worden. Deze subminiatuur buizen waren uitgevonden in de Verenigde Staten en niet toegankelijk in het naoorlogse Duitsland. Niet lang erna, in 1951, introduceerde Siemens zijn eigen hoortoestel met deze technologie - de Phonophor Alpha.

Beide hoortoestellen wisten te profiteren van de voordelen die deze technologie bracht. De drie krachtige elektronenbuizen, die als versterkers gebruikt werden, hadden elk ongeveer de afmeting van een half luciferstokje. Uitgerust met een kristalmicrofoon produceerden deze apparaatjes aanzienlijk helderder geluid, vooral in de hoge tonen en dát is weer onontbeerlijk voor de reproductie van medeklinkers en hele lettergrepen. De Phonophor Alpha bestond uit meer dan 250 verschillende onderdelen en woog toch nog slechts 175 gram (inclusief batterijen) en hij was bijna net zo klein als een pakje sigaretten. De Alpha en de gelijkwaardig compacte Fortiphone werden zakhoortoestellen genoemd en gleed gemakkelijk in een vestzak en kon zelfs onder de kleding gedragen worden.

Een ander aspect dat deze hoortoestellen discreter maakte was de huidskleurige behuizing van de oorstukjes, die door middel van een snoer werden verbonden met het kastje. Zodra het oorkanaal van de drager erg afweek van de gemiddelde vorm, kon er een afdruk gemaakt worden om zo een op maat gemaakt oorstukje te maken. De Phonophor Alpha was specifiek ontwikkeld voor het beste draagcomfort. Een klein draaischijfje werd op het toestel geplaatst, zodat de drager het geluid harder en zachter kon zetten en met een plat schuifknopje aan de zijkant kon gewisseld worden tussen de twee verschillende programma's, al naar gelang de gewenste toon.