Overslaan en naar de inhoud gaan

Oefeningen bij de film 'Op straat'

Aan de hand van wat u tot nu toe gezien hebt, krijgt u een aantal vragen voorgelegd. Zij zijn bedoeld als discussiepunten: drie meerkeuzevragen en 2 stellingen. Meerdere antwoorden zijn mogelijk. Motiveer uw antwoord en bespreek dit eventueel met uw Communicatie Partner.

Meerkeuze vraag 1

U bent slechthorend en u moet aan iemand de weg vragen. Wat zou u doen?

a. U zegt bij het aanspreken van de voorbijganger dat u slechthorend bent

b. U zegt pas dat u slechthorend bent als u de ander niet verstaat

c. U zegt niet dat u slechthorend bent en vraagt steeds om herhaling

d. U doet net of u alles hebt verstaan en besluit de weg aan een ander te vragen


Meerkeuze vraag 2

U bent slechthorend en gaat naar een museum voor een rondleiding. Hoe stelt u zich op tijdens de rondleiding op?

a. U doet alles om ervoor te zorgen dat niemand merkt dat u slechthorend bent

b. U vraagt iemand anders mee die voor u mee luistert

c. U vraagt steeds om herhaling

d. U meldt dat u slechthorend bent en legt daarbij uit hoe daar rekening mee gehouden kan worden.


Meerkeuze vraag 3

Als u iemand aan de telefoon krijgt die slechthorend is, dan:

a. Gaat u heel hard praten

b. Spreekt u langzaam en duidelijk

c. Breekt u het gesprek zo snel mogelijk af

d. Herhaalt u wat u gezegd hebt in andere woorden als dat nodig is


Stellingen

Bent u het met de stelling eens of niet? En waarom?

Stelling 1: “Als onze slechthorende kennis bij ons aan tafel kwam zitten dan spraken wij altijd langzaam en duidelijk en keken wij hem tijdens het spreken aan. Sinds kort heeft hij hoortoestellen. Duidelijk spreken en goed aankijken tijdens het spreken is dus niet meer nodig.”

Stelling 2: “Bij telefoneren neem ik (als slechthorende) éérst de hoorn op en zeg dan “heeft u een moment?” vervolgens zet ik mijn hoortoestel op de T-stand en begin het gesprek Of ik schakel mijn afstandsbediening naar de telefoonstand."

 

Deze pagina delen met anderen: